Jurk in de soep

Ik raakte geïntrigeerd toen iemand nog eens het woord soepjurk gebruikte. Een wijde, ongetailleerde jurk, en ook: iemand die daarmee rondloopt. Wat een vreemd woord is dat. Waar komt het vandaan? Hoe oud is het?

Zowel Van Dale’s Groot als diens etymologische woordenboek lieten me in de steek. Via Marc De Costers Woordenboek van Jargon en Slang kwam ik er nog wel achter dat soepjurk soldatentaal is voor soldatenjas, maar dat hielp niet echt.

Wel ontdekte ik dankzij Van Dale de verwante woorden soepjas en soepbroek, die een slobberige, respectievelijk flodderige variant van het desbetreffende kledingstuk beschrijven. Nog onder de indruk van het aantal synoniemen dat de Nederlandse taal heeft voor het beschrijven van de vormeloosheid van kledingstukken, sloeg ik het Woordenboek der Nederlandsche Taal op:

“Soepjurk, wijde, ongetailleerde jurk; wijd, lang afhangend gewaad; iemand die zulk een gewaad draagt. || (Jan Salie) de patroon aller slaapmutsen, aller soepjurken, aller sloffen te onzent, POTGIETER 1, 11. …

Potgieter, de negentiende-eeuwse schrijver, dat gaf alvast een datering. En hij gebruikte het als metoniem, dus naar alle waarschijnlijkheid was het in zijn tijd al ingeburgerd, dus mogelijk nog ouder.

Het lemma ‘soep’ in het WNT, waar ik het bovenstaande aantrof, doorlezend, viel me op dat soep niet veel ‘soeps’ was (ja, dat klinkt inderdaad verwarrend):

“Geheel van met zekere geringschatting beschouwde zaken, mengelmoes, zoodje.”

“Betoog of verhaal van veel woorden maar weinig inhoud.”

Soepzoodje, onbeduidend zoodje.”

Soep kan dus iets van weinig waarde aanduiden (een zoodje, zeg maar). Dichterbij een verklaring ben ik nog niet gekomen en het heeft iets onbevredigends. Waarom worden juist bepaalde ruimzittende kledingstukken met soep in verband gebracht? Mijn speurtocht is voorlopig in de soep gelopen. Het raadsel blijft.

Posted on april 25th, 2010
» Feed to this thread
» Trackback

Leave a Reply